FIRST VERSE

EERSTE STROFE

A somber mirror for this sultry vigil
drives closed these lilies, my eyes.
But I cannot sleep: the smell of roses
overpowers everything in the night.


I shall not rise up into light dreams:
lost in the quills of this muse’s pens
and the heavy, damp fragrance of dew:
the smell of roses holds me under.


I cannot dive toward dark silence,
I cannot sink into black forgetting,
the smell of roses surrounds my sleep:
the smell of roses holds me up.

Aan sombren spiegel van zwoele wake
drijven, geloken leliën, mijn oogen.
Ik kan niet slapen: de geur der rozen
wordt oppermachtig met den nacht.


Ik zal niet stijgen tot luchten droomen:
diep in haar schachten de vleugelpennen
zijn zwaar en vochtig van reukig dauwen:
de geur der rozen houdt mij neêr.


Ik kan niet duiken naar donkren sluimer,
ik kan niet zinken tot zwart vergeten:
de geur der rozen omdwelmt mijn slapen:
de geur der rozen houdt mij op.

Decoy Collage 17 - Kelly Clare

Decoy Collage 17 - Kelly Clare

FOURTH VERSE

VIERDE STROFE

The days lengthen and suffer until they give way;
all these months, my ship lies ready to ride the current;
and all these days, I wander their city,
a silent and unremarkable stranger
that nobody looks for and nobody greets in passing
and nobody fights with. With a medal and a story,
I bargain for the few things I need,
becoming somebody for a moment as I persist:
gathering what I can, despite their polite greed,
falling into shadow again after these fleeting successes;
like a ship losing footing and colliding, to their surprise,
strange fools who understand nothing of worth
but money and kindness, whose incomprehensible whims
sail a distant course to their small and aimless lives...
And meanwhile, every man, prostitute and virgin alike,
leave a trail behind them of the bruised-blue day
down the long alley, stars migrating through the night,
each ascending sky-high in a silent miracle.
In haste, perhaps this very evening still yet
(such singing the premonition of my patience)
speaks itself out of this sluggish and bashful dreamer,
the youngest brother that is my courageous never-self,
and he, I, scarely notice coming upon this dead body...
He finds his mother in the darkening twilight,
with eyes open wide, like profound dark flowers,
and with such a sigh, he can no longer live
within the limits of this old house;
he will leave his inheritance to his brothers
and shall go away, into the cold distance
for the shame at his undeserved happiness
his lover slowly murders with indifference
as he will never leave her for this mad nobody...
With the first stars, he comes aboard at the edge,
and sits without sound upon the pale aft-deck.
Then goes the broad white sail aloft,
and with him, I return to my far distant country.

De dagen lengen ontgeteld tot weken;
al maanden ligt mijn schip ter reede op stroom;
en al dien tijd verkeer ik in hun stad,
een stil en onopmerklijk vreemdeling
die niemand zoekt en niemand van zich weert
en niemand aanstoot geeft. Met reede penningen
koop ik het weinige wat ik behoef,
en ding niet op hun overvragen af:
zoo won ik onbedacht hun brave hebzucht,
en niets blijkt over dat ik winnen kan;
voetstoots heeft hun verwondering aanvaard
den vreemden dwaas die niet de waarde kent
van geld en goed, wiens onbegrepen luim
hun eng-verdaaglijkscht leven doelloos deelt...
En onderwijl, als staâg en ongerept
achter den schijn van ondiep dageblauw
de groote gang der sterren zich voltrekt,
neemt hemelhoog het stille wonder stand.
Welhaast, misschien deze’ eigen avond nog
(zoo zingt het voorgevoel van mijn geduld)
spreekt zich de trage bloode droomer uit,
de jongste broeder die mij nimmer moeit,
en dien ik nauwlijks op te merken lijk...
Hij vindt zijn moeder in het schemeruur,
met oogen als diepdonkre bloemen open,
en zucht dat hij niet langer leven kan
binnen de grenzen van het oude huis,
dat hij den broederen zijn erfdeel laat
en heen zal gaan den koelen einder in
vóordat de schaamte om onverdiend geluk
zijn liefde moordt tot onverschilligheid
zoodat hij haar niet meer beminnen zou...
Met de eerste sterren komt hij stil aan boord
en zet zich zwijgend op de bleeke plecht.
Dan gaat het breede witte zeil omhoog,
en met hem keer ik naar mijn verre land.

SEVENTH VERSE

ZEVENDE STROFE

for Leonardo da Vinci’s John the Baptist

Hush — there have I silently and deeply stooped,
weeping always but for the memory
of youthful laughter at waking, that first morning —
for there my eyes opened into a mist of silver
of divine sorrow
at the dead beauty of so many years
spent in observance of chaste and obedient love
invented and strengthened by every foolish woe
until this dream of a single eye-blink:
under the glass-calm ocean of your smile
grows a death- and life-darkening abyss...


There, behind me, I felt the naked light
of the whitest sun, the moon of all love’s nights,
and through these life-like veils,
our laughter refracted the moon’s bright fire
into a string of pearls upon the desolate wall of the world:
darkness into an amethyst rainbow.

voor Lionardo’s Johannes

Daar heb ik stilst en diepst geweend,
o tranen heller dan de heugenis
van jonkheids eerst-bewusten morgenlach -
want voor mijn oogen steeg in zilvren nevel
van goddelijkste droefenis
de doode lieflijkheid van zoo veel jaren
in strengen dienst en liefdes kuischen deemoed
doorwaakt tot al hun weedom zich verdichtte
tot dezen droom van éenen oogenblik:
onder den effen spiegel van uw glimlach
dees dood- en leven-overscheemrende’ afgrond...


Daar voelde ik achter mij den naakten glans
van witste zon, de maan van liefdes nachten,
en door de levenzoele sluieren
van onze tranen brak haar helle vuur
op donkren wereldwand in paarlen snoeren
van bleeken amethysten regenboog.

EIGHTH VERSE

ACHTSTE STROFE

Sometimes, when the nights are without stars,
there swells through the darkness toward my sleepless eyes
a great, slow moon brimming with heartsickness,
and the silent world shines
with a light-draining violet glow
and drenches my defenseless heart in despair
of nameless pains. For I feel
in every new moonbeam that oppresses me,
the gaze of every past and long-forgotten
pair of eyes which, in vain, my love once sought,
and those breath-short encounters never remembered
until now, opening one by one like the darkest flowers
into unforgettable significance...
So in the brimming chalice of happiness,
love merges with the heart that confesses it
as sovereign, an inescapable counterpart
of life’s bitterness: a suffering intolerable
and beautiful, necessary, and divine,
for love leads one into the boundless universe,
the world of all inexplicable secrets
where in the giddy infinity of light
all that is magnificent is haphazard and ordered
perfectly, in an unfathomable equilibrium,
and each person remains in unabated sin,
unless he remembers what he has been forced to deny.

Soms als de nachten zonder sterren zijn,
zwelt door het donker voor mijn slaaplooze oogen
een groote trage hartstochtsombre maan
en schijnt de stille wereld schemerleêg
met lichteloozen violetten gloed
en drenkt mijn weerloos hart in zwoele wanhoop
van namelooze pijnen. Want ik voel
in elken nieuwen straal die mij bestelpt,
den blik van telkens andre langvergeten
oogen die eens vergeefs mijn liefde vroegen,
en ademkorte ontmoetingen nooit herdacht
doen éen voor éen als sombre bloemen open
haar onvergeetlijke beteekenis...
Zóo in den vollen beker van geluk
mengt liefde voor het hart dat haar belijdt
als soeverein, zijn onontkoombaar deel
van levens bitterheid, leed zoo ondraaglijk
als peilloos schoon en goddelijk noodwendig,
en leidt het binnen in haar groot heelal,
de wereld van haar onverklaard geheim
waar in de duizellichte oneindigheid
hoogheerelijke willekeur bestelt
volkomen, ondoorgrondlijk evenwicht,
en ieder onverminderd schuldig blijft
ook wat hij anderen onthouden moet.

return to ISSUE THREE

Decoy Collage 17 - Kelly Clare